Iets winnen en iets verliezen

Gisteren ben ik over straat gegaan, in een korte jurk, zonder mijn benen te scheren. Niet van twee dagen. Ook niet van twee weken. Misschien van een maand, of zo (ik heb een thesis geschreven). Het was warm, al dagen. Al dagen liep ik rond in een jeans, om maar niet toe te geven dat ik haar op mijn benen heb staan.

Ik heb al maanden geleden de foto’s gezien, van meisjes met haar op hun tanden en op hun benen. Maar het voelde niet goed. Ik wil geen statement maken. Ik wil me gewoon lekker in mijn vel voelen.

Dat deed ik niet. Ik schaamde me. Over het haar dat ik overal heb. Ik schaamde me heel erg. Ik deed niet de kleren aan waar ik me lekker in voelde. Ik vond mezelf niet mooi, niet elegant en niet vrouwelijk.

Toen gebeurden er een paar dingen. Het eerste: ik bracht een paar uur door met mijn zusje. Mijn zusje, met haar diepbruine en diepgespierde benen, waar ik al meer dan eens jaloers naar heb staan kijken. Mijn zusje die, zo merkte ik opeens op, daar gewoon haar op had staan. 1000 x bleker dan het mijne, bijna onzichtbaar, elegant eigenlijk. Ze zei achteloos: ‘dat kan me niet schelen’.

Het tweede: ik herlas een pubertrilogie. Divergent, van Veronica Roth. Ik heb ook Twilight gelezen (stukgelezen, mag ik wel zeggen, en ik vind het niet eens goed, ook toen niet) en ook de Hongerspelen (beetje sadistisch, eigenlijk). Ik heb zelfs stukjes gelezen van 50… (tja). Maar dit is anders, niet helemaal natuurlijk. Maar toen ik meteen na mijn thesis in deze vergetelheidsliteratuur dook, merkte ik dat ik de relatie tussen de hoofdfiguren bad ass goed vind. Eerlijk waar. Ik heb zo’n rolmodellen nodig. Ik hou van voorbeelden, van inspiratie, en dat mag best ook fantasie zijn. Ze binden zich aan elkaar maar ze nemen elkaar niet voor vanzelfsprekend. Esther Perel zou het niet beter kunnen uitleggen.

Zoals met populaire trilogieën is er ook een film, en zoals met populaire (en zelfs met niet-populaire) films zijn de hoofdfiguren buitenaards mooie mensen, die er echter uit moeten zien alsof ze van de buren hadden kunnen komen. Maar dat is niet per se de enige lezing van het boek. Er is ook een lezing die een heel gewoon meisje ziet met heel wat imperfecties, en met te weinig ‘exposure’ in haar jeugd aan intimiteit, en een schrik als gevolg.

Toen las ik ook dit, albeit in 7 haasten.

Ik heb te weinig exposure aan vrouwen zonder complexen, aan vrouwen die opstaan, zich aankleden en zichzelf bijzonder vinden omwille van dingen die ze hebben zonder er moeite voor te moeten doen. Weinig exposure, maar niet geen enkele. Er is mijn zusje, dat achteloos omgaat met vrouwelijkheid, die zegt dat ze gemak wil en dat ook meent. Er zijn mijn vrienden in Frankrijk. Die zich daar helemaal niet druk om maken, maar stuk voor stuk een soort rauwe persoonlijkheid uitstralen. Ongebeitste schoonheid.

Gisteren trok ik mijn jurk aan en we vertrokken. Onderweg dacht ik na. Wat ik ermee kan winnen en wat ik ermee kan verliezen. Zoals ik al zei: ik wil geen statement maken, nergens bij horen, niets uitdragen. Integendeel: ik wil mijn eigenheid vinden.

Ik zou denken: als ik mijn benen niet scheer, zal ik me schamen. Maar misschien is het – voor mij, op dit moment in mijn leven – het omgekeerde. Als ik ermee stop, zal ik me misschien terug trotser voelen, en aantrekkelijker. Omdat het niet stopt. Onderbenen, maar ook bovenbenen. Ook bikinizones. Er is overal haar.

Waar wil ik heen? Ik weet het niet zo goed (maar dit is mijn blog, dus ik mag verdwalen). Misschien wil ik het gewoon opschrijven en voor mezelf uitzoeken. Of zo.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Brussel-Noord – Schaarbeek, 00.20 – 00.40

Ik neem de laatste trein uit Leuven terug, waar ik heb gestudeerd. Als ik daar over straat loop, kijkt niets of niemand me aan. Het is druk op straat. Jonge studentenkoppels, net als ik in hun tweede zit, lopen samen naar hun koten. Meisjes lopen met twee of drie en praten over vanalles. Ik ben verdrietig, al de hele dag. Zo hard studeren, en over anderhalve dag weer mijn kind. Het is een verdriet dat zachter is geworden en ik ben milder tegenover mezelf, maar het is er wel. Ik ben ook verdrietig omdat ik mijn eigen kledingstijl zo kwijt ben. De meisjes hier lopen op deze warme dag in gemakkelijke shorts en leuke T-shirts. Ik doe dat al zo lang niet meer, maar waarom eigenlijk niet?

Als ik een half uur later in Brussel sta, begin ik naar huis te wandelen. Het is druk op straat. Mannen zitten op café. Jonge mannen lopen met twee of drie naar huis. Ik zie een paar toeristen (hier?), en ja, ook een paar vrouwen. Niet veel. Als ik bijna thuis ben, gebeurt het. In een portiek staat een man, alleen. Ik kijk, vluchtig, en dan hoor ik heel zacht een gesis. Hij klakt met zijn tong. Het geluid dat ik gebruik om een dier te lokken. Geen mens. Geen meisje. Geen meisje dat ik van toeten noch blazen ken.

Ik wil niet terug naar Leuven. Maar ik ben wel verdrietig, omdat de sfeer waar jongens en meisjes elkaar zonder meer kennen, zo snel aan me voorbij gegaan is. Dat is niet eerlijk, en zeker niet goed voor mijn zelfontplooiing geweest.

Als ik thuiskom van mijn wandeling, denk ik: ik woon hier goedkoop. Ik haat het dat alles altijd om geld draait. Ik haat het dat het moederschap, dat ik nooit gewild heb, zoveel geld kost, zoveel tijd, zoveel moeite, en me zo afhankelijk maakt.

Ik vraag me de laatste tijd steeds vaker af of ik hier niet weg moet. Maar ik weet niet naar waar ik kan of wil. Ik weet het allemaal niet, wat ik met mijn leven wil zodra mijn thesis binnen is.

 

Schaarbeek, 3 km, zondag 00.15-01.15

‘t Was weer plezant. Even een nachtelijk wandelingetje maken op mijn eentje. 2 vrouwen op straat gezien. Allebei druk aan het bellen (veel vriendinnen doen dat ook, als ze ‘s avonds op straat moeten zijn). Veel groepen mannen gezien, en een paar jongens. Twee keer aangesproken, waaronder één keer nagesist. Je moet weten: Schaarbeek, zeker het deel waar ik wandelde, is een goede buurt in Brussel.

Eén keer uit mijn vel gesprongen. ‘I just wanna talk to you.’ En ik, ik wil gewoon ‘s avonds op straat kunnen lopen, met exact dezelfde rechten als een man. Het recht om weg te dromen, het recht om niét de straat over te steken als ik een man zie, het recht om rond mij te kunnen kijken en niet, zoals nu, strak naar de huizen kijkend zodra ik een tegenligger passeer, om toch vooral geen oogcontact te riskeren. Ik wil het recht hebben om te beslissen of ik zélf wel zin heb om te praten en mij dunkt dat geen enkel signaal in die richting gegeven te hebben vrij duidelijk is.

Och, breek me de bek niet open, ik wil nog veel meer: ik wil, net zoals mannen dat kunnen doen, gewoon op het gras gaan zitten bij een lantaarnpaal en mijn boek lezen, omdat de avond zo mooi is.

Ik ben die eeuwige strijd kotsbeu: moet ik fietsen met een kort rokje of krijg ik dan commentaar? Moet ik ‘s avonds lopen of krijg ik minder commentaar als ik fiets?

En dan, dan heb ik het nog nog niet eens over al die andere dingen die me de laatste tijd meer en meer echt verdrietig maken, terwijl ik daar toch echt niet aan kan doen. Ik heb haar. Vrij menselijk. Alleen is dat not done voor vrouwen. Het ergste: zelfs ikzelf verafschuw mezelf een beetje als ik harig rondloop en geen tijd neem om me te ontharen. Maar zal ik eens wat zeggen? Het geeft me stress. Waarom zeggen vrouwen nooit dat het niet alleen tijd kost (geen erg voor mij), dat het ook pijn doen (al minder leuk) maar vooral: dat het allemaal zo gemakkelijk niet is? Scheren: ik vergeet banen. Epileren: het brandt en werkt amper. Waxen: duur, geknoei en werkt niet als ik het zelf doe.

En vooral: het keert altijd, altijd weer terug. Ik voer een volkomen verloren strijd tegen wie ik ben, een mens, met haar, met honderd ingebouwde oer-restjes-toestanden. Ik vind mezelf niet eens mooi in die natuurlijke staat, dus hoe diep zit het dan wel niet? En waarom moeten noch mijn vrienden noch mijn broers noch mijn nonkels en vader zoveel tijd doorbrengen met lichamelijke strijd voor ze zich sterk en vol zelfvertrouwen voelen?

Ik voel me eigenlijk soms een beetje rot dat ik een vrouw ben. Niet altijd. Maar wel vaker dan af en toe. Ik voel me niet minderwaardig, en ook niet meerderwaardig. Ik zou het soms gewoon echt wel eens aan iemand anders willen geven, die altijd voortrekkende rol, altijd strijdend, altijd verontwaardigd als Calimero piepen dat het niet eerlijk is. Niet.

 

 

 

 

 

 

Tien minuten

Ik geef mezelf tien minuten om deze blog te schrijven. Tien minuten om er even over te denken, het even te analyseren. Daarna weer verder.

Ik zit in de bibliotheek waar ik van ik van mijn achttiende tot mijn eenentwintigste uren en uren heb gespendeerd. Hier heb ik gevloekt op mijn studie en de onzekerheid die ik voelde, hier heb ik alle andere studenten gestoord met de fluistergesprekken die ik voerde met mijn toenmalige beste vriendin, hier heb ik over Jonge Man geschreven, in losse Word-documenten en even sneaky als nu, mezelf bedelend om wat stiekeme tijd terwijl ik moest studeren. Het was de meest intense periode van mijn leven, vol verwarring, drama, verliefdheden, zorgen die veel dieper gingen dan de gemiddelde twintigjarige zou mogen overkomen, maar het was ook intens mooi, intens vrij en intens mezelf zoeken.

Toen ik drieëntwintig was, keerde ik terug. Ik studeerde er weer uren, probeerde niet te huilen, probeerde mezelf liever te vinden dat ik ook maar één seconde zelf geloofde. Er waren nog maar weinig bekende gezichten,  en diegenen die er waren, waren jaren – lichtjaren – jonger dan ik. Ze gingen uit! Ze planden de avond zelf iets te gaan drinken! Ze hadden niet meer nodig dan een kamer met een bureau om tien maanden in te wonen! Ik las in die bibliotheek en op dezelfde plek als jaren eerder mails van Jonge Man, die deze keer best gelukkig leek te zijn zonder me. Ik kwam mijn proffen van vroeger tegen en de schaamte dat er een kinderstoeltje op mijn studentenfiets van toen stond, brandde in me. Ik moest elke twee uur weg om in zeven haasten naar de crèche van mijn zoon te fietsen, om hem borstvoeding te gaan geven. Was dat goed? Werd ik daar gelukkiger van? Het was het jaar dat ik niets, echt niets van mezelf wist. Niet hoe ik mijn haar moest borstelen en laten glanzen. Niet welke kleren mijn lijf zouden knuffelen (hugging in the right places klinkt toch wel beter, en ik ben nochtans geen fan van nodeloos en hip Engels), laat staan hoe ik mijn sociaal, emotioneel en geestelijk leven in handen kon nemen.

Nu ben ik vijfentwintig en ken ik helemaal niemand meer in deze bibliotheek. Het is bloedheet. Mijn haar is nog altijd niet mijn sterke punt maar ik kan wel schrijven dat ik mezelf eigenlijk heel lief en de moeite waard vind. Ik heb een mooie jurk aan, ook al heb ik die karakteristiek genoeg al na twee keer wassen laten verpluizen en nog wel ter hoogte van  mijn achterste (ik weet niet hoe ik het doe). Mijn wereld is veel groter dan toen ik eenentwintig was, en zeker dan toen ik drieëntwintig was. Ik denk lang niet meer elke dag in termen van ‘was ik toen gelukkiger?’.

En toch. Ik denk wél dat mijn geluk, mijn adolescentie, mijn kleine verliefdheden en grote drama’s, veel te vroeg zijn moeten stoppen. Veel te vroeg.

P.S. het werden twintig minuten. Ook dat is herkenbaar van veel vroeger, hoe ik tijd uitrek en er schuldig een vervolg aan brei.

 

 

Zo zit dat dus

Uit de krant:

‘Millennials verbreken geen relaties omdat ze niet gelukkig zijn: ze verbreken een relatie omdat ze gelukkiger zouden kunnen zijn. […] Kiezen is verliezen.’

Jonge Man:

‘Ik denk dat wat wij hebben gewoon niet bijzonder genoeg is om moeite te doen voor Ka.’

‘Het gaat op dit moment eerder goed dan slecht tussen ons, en net daarom wil ik nu kiezen, zodat het niet te ernstig wordt tussen ons.’

‘Ik wou nog eens afspreken om te kijken of ik me niet vergist had. Vind jij dan dat we de liefde van elkaars leven zijn?’

Over mijn zelfbeeld

Vandaag een stukje over mijn positieve zelfbeeld. Ik zal het niet hebben over de jaren, tot heel recent, dat ik mezelf bekeek en voortdurend vergeleek met exotische schoonheden die bovendien erg talrijk zijn in mijn omgeving. Ik zal het ook niet uitweiden over mijn flirts als puber met eetstoornissen. Noch zal ik schrijven over het drama dat mijn haar altijd is geweest, of beter: hoe ontevreden ik er mee was.

Neen, neen, vandaag haal ik mezelf niet naar beneden en ik duw complimenten niet ongeduldig weg. Vind jij dat ik er goed uitzie? Dank u. Ik vind dat zelf ook. Jij ook trouwens. Echt: dat kan samengaan, een compliment krijgen, het aannemen én erg zelf een geven. Het gaat me zelfs steeds beter af.

Steeds vaker kijk ik in de spiegel en ben ik doltevreden met mezelf. Inderdaad: doltevreden, niet eens gewoon ‘tevreden’. Bâh neen, niet elk moment van de dag. Niet als mijn haar vettig is (vaak: zie verder). Of als ik kleren aanheb waar ik me helemaal niet goed in voel. Maar ik krijg de kunst onder de knie me alleen die momenten te herinneren dat ik me wél goed en mooi voelde, en wonder o wonder: hoe meer ik me ze herinner, hoe vaker ze voorkomen, vanzelf nog wel.

Je moet weten: ik sta nooit op de weegschaal (ik heb er niet eens een). Maar ik denk dat ik de laatste maanden een paar kilo aangekomen ben. Met een vriendin praat ik erover, op een respectvolle manier, respectvol voor mezelf en alweer gaat het me vanzelf af. Ik ben niet dik, ik denk gewoon dat mijn lichaam verandert. We praten over eten, over sport, hoe vanzelf eten gaat, en hoe we allebei nog beter naar onze lijven willen leren luisteren. ‘s Avonds, als ik zoals elke avond tegenwoordig, een paar minuten naar mezelf kijk in mijn onderbroek (helemaal naakt vind ik een stuk minder esthetisch, ben ik de enige daarin?), valt mijn laatste restje ontevredenheid weg. Ik heb een vrouwenlichaam gekregen. Die paar kilo extra, of ik ze me nu verbeeld of niet, staan me goed. Ik hou van de bocht die mijn vel en spieren en laagje vet (sterk, stevig vet, dat mijn huid een lichte glans geeft en stevigheid) maken in mijn rug als ik mezelf omdraai naar de spiegel. Ik hou van de manier waarop mijn borsten voorover hangen, niet langer de borsten die helemaal strak en stevig stonden van voor de zwangerschap, en nog een cup groter ook. Maar wel borsten waar ik van hou én mooi vind. Ik hou van de bobbel in mijn buik, de kleine ronding, die het reliëf en diepte en persoonlijkheid geeft. Niet als ik in vogelperspectief naar mezelf kijk: dan is het vettig en dik. Laat ik dat dan ook niet doen. Het zijperspectief bevalt me veel beter. Ik hou van mijn billen in mijn nieuwe spijkerbroek *. Ik hou van mijn iets te korte benen, maar stevig en sterk en alweer met die laagjes vet, die het diepte en perspectief geven. Ik hou van de iets te grote voeten eronder, want ik, die jarenlang kleinere voeten wilde, loop er zo goed op.

Ik hou zelfs, het moeilijkste deel van mezelf, van mijn haar sinds ik het niet meer was (misschien leg ik dat nog wel eens uit, misschien niet. Google het anders eens. Voordelen: het kan me sinds mijn experiment niet meer schelen hoe het staat, maar het slappe en futloze is er opeens uit. Het blijft meer zoals net nadat ik het gewassen heb: beetje wild, beetje modelloos maar wel redelijk leuk. Nadelen: de meeste meisjes hun haar ziet er stuk verzorgder uit, en daarmee ook aantrekkelijker. Misvatting: mijn kop ziet niet erg vettig. Waar: wel ‘s avonds.). Ik heb me mijn hele leven op mijn gezicht geconcentreerd. Opmerkingen van vriendjes over mijn lichaam vond ik altijd typische jongenspraat: het zou wel alleen maar lust zijn, dat ze dat zeiden. Maar nu zie ik plots dat ik veel meer dan mijn hoofd ben.

En het beste is: hoe meer ik van mezelf hou, hoe meer ik van anderen begin te houden.

Deze blog zat al een hele tijd in mijn hoofd. Ik wilde hem combineren met woorden van herstel, van analyses hoeveel beter ik me in mijn vel voel het laatste jaar. Maar dat is zo ook wel duidelijk. Dat ik me steeds beter voel als single, ook.

* Hoeveel mooier is dat woord nu dan ‘jeans’?!

Huur anders eens een huis dat ge niet kent meteen voor 9 jaar

Ik lees dat Homans de huurmarkt wil hervormen. Jazeker, sommige dingen snijden hout, vind ik. Een huurder uit huis zetten om te renoveren: dat is rot, maar binnen een bepaald kader zou het wel kunnen. Binnen een bepaald kader. Idem met een verplichte plaatsbeschrijving. Het probleem is dat er addertjes onder het gras zitten, en dat die addertjes vies zijn, erg vies.

Over twee dingen in het bijzonder, achteloos opgenomen in het lijstje, word ik woest. Omdat ze, zoals het artikel terecht zegt ‘alle macht aan de verhuurder’ geven. Omdat het statuut van huurder echt niet is om naar huis over te schrijven. Naar uw gehuurde huis, wel te verstaan. Het huis waar je maandelijks voor betaalt, maar dat nooit van jou wordt. ‘Ja, maar, je hebt er ook geen kosten aan.’ Bwa. Ik ken geen huurder, geen enkele, die geen problemen heeft gehad in de loop van de eerste drie jaar. En zelfs als die bestaan (waar ik vanuit ga) herhaal ik: het wordt niet van jou.

Is dat erg? Niet altijd. Wel als Homans haar regel invoert dat 9 jaar het standaardcontract zal worden.

‘Het creëert stabiliteit op de markt en biedt de verhuurder zekerheid over zijn inkomsten en  geeft woonzekerheid aan de huurder.

Let wel: als die verhuurder intussen zelf in zijn huis wil gaan wonen, is er geen vuiltje aan de lucht en kan de huurder vertrekken. Ik zie nergens staan dat die regel zou veranderen. Maar wat als de inkomsten van de huurder veranderen, naar boven of beneden? Negen jaar is een half jong leven. Je zou er als huurder maar eens beter op worden, intussen. Kopen. Een ander, misschien wel beter, huurhuis vinden. Kinderen krijgen. Iets groter nodig hebben. Ergernissen krijgen over het huidige huurhuis. 9 jaar huren: ik gruw daarvan. Dat is zowat een halve lening van iemand anders afbetalen. Moeten de 22-jarigen die gaan samenwonen tekenen tot ze 31 zijn? Gelukkig, geen probleem:

Alleen als beide partijen samen voor een kortlopend contract kiezen, zal dat nog mogelijk zijn.

Versta: in een stad waar een overaanbod is van huurders en een tekort aan betaalbare huizen – Brussel, Antwerpen, Leuven, om maar eens wat te noemen – zal de verhuurder alleen maar meer macht krijgen. Het betaalbare aanbod aan 3-jaarcontracten zal er alleen maar op verkleinen. Let op mijn woorden: als deze wet erdoor komt, zullen de crappy huizen nog meer overschieten, want die zullen natuurlijk ‘met wederzijdse toestemming’ voor kortere periodes verhuurd worden. De betere huizen zullen voor 9 jaar op de markt gaan, en voorbehouden blijven voor wie betrouwbaar genoeg is een contract van 9 jaar af te sluiten.

De huurmarkt zal in twee vallen, met het beste weg voor 9 jaar en de brol over voor korte termijn. Waar die mix elkaar nu nog in evenwicht houdt – er is veel miserabel vastgoed, maar ook wel een en ander goed én betaalbaar, waardoor de markt zichzelf enigszins reguleert – zal dat voordeel snel wegvallen. Huizen te slecht om iemand 9 jaar lang voor te strikken? Verhuur kort, tot je het geld en de motivatie vindt het te verbouwen – hopla, huurder, vertrek maar rap – om het vervolgens naar de negenjarige markt te versluizen. Of, nog beter: met ‘wederzijdse toestemming’ verbouwen terwijl er nog iemand in zit, om zo geen maand inkomsten te verliezen, om daarna de upgrade naar 9 jaar te maken.

Trouwens: ik ken geen verhuurder die 9 jaar lang in zee zou willen gaan met mij, een jonge en alleenstaande moeder. Allemaal aardig, dat dat moeilijk is voor een verhuurder, maar feit is feit: ook ik heb een woning nodig, en mijn kind al helemaal. Mijn frustratie en het gevoel van afwijzing zijn zelden hoger geweest dan toen ik een huis zocht en systematisch met een kluitje in het riet gestuurd werd. Zoiets heet discriminatie en als je het mij vraagt heeft deze markt dringend nood aan regels en dus ook aan consequenties. Maar, aldus Homans:

Homans wil vol inzetten op zelfregulering: ‘We hebben de verhuurderssyndicaten nodig om hun klanten te sensibiliseren en te zeggen wat mag en niet mag.’

Dat betekent ook dat de praktijktests – het zogeheten ‘mystery shopping’ – niet meer aan de orde zijn. Homans geeft opnieuw aan dat ze ‘tegen dat principe is’.

In praktijk, stelt ze voor, zullen syndicaten subsidies krijgen die ze naar eigen goeddunken in kunnen vullen om discriminatie tegen te gaan. Ehm, hoe ziet ze dat dan? Een jaarlijks weekend aan zee aan het Zwin om te bepleiten dat de Marokkaan om de hoek ook een kans moet krijgen? De vluchteling van het plaatselijke asielcentrum ook maar een arme sukkelaar is? De arme alleenstaande moeder wellicht stabieler is dan ze lijkt? Meteen maar negen jaar? Bwa neen. Laat ze maar tekenen voor een jaar, anders. Daarna zien we wel verder. Het staat immers in de wet: als beiden akkoord zijn, kan het. Opgelost, toch?

En tot slot, inkopperke, maar: hoeveel leden van de regering, en dan spreek ik niet eens over specifieke partijen, huren eigenlijk zelf?

 

Rust/onrust

Rust, rust, rust. Zij schrijft er ook over.

Andere voorbeelden. De rust van niet te veel maar ook niet te weinig geld te hebben. De rust om naar de buurtwinkel te kunnen gaan, gewoon en alleen omdat daar geen lange file staat en mijn zoon dan niet vervelend gaat worden. Neen, neen: en evenzeer ikzelf. Eerlijk zijn.

Of: ik stop zelfs voor verkeerslichten tegenwoordig. Geloof me: ik ben de enige (ik rijd niet met een auto, en dat geeft, eerlijk is eerlijk, in deze stad af en toe kleine, stiekeme privileges).

Maar daaronder voel ik de onrust branden. Wat wil ik, nu het bijna vakantie is, en ik over een maand mijn thesis binnen moet doen?

Ik heb altijd gezegd zo graag te willen reizen. Mijn vrienden zijn ofwel hoogopgeleide mensen die zonder hun hand om te draaien een half jaar of langer weg zijn. Alsof ze boodschappen gaan doen. Ofwel zijn het zwervende hippies die weliswaar geen geld hebben voor boodschappen, maar evenzeer weg zijn. Ook ik voel die drang, en ik weet en voel dat het verlangen echt en authentiek is. Niet daarin maak ik me zorgen.

Wel om wat aan me trekt: wil ik werkelijk nu al de stabiele grond onder mijn voeten vandaan graven en alles op losse fundamenten zetten? Ik heb hier vrienden, een leven, ik ken de stad, ik krijg goede hulp van een geweldige school, van goede vrienden en trouwe familie. Ben ik wel klaar voor meer en verder en meer alleen? Dat ik de vraag stel, geeft al een zeker antwoord.

Het trekt en het sleept aan me. Want het antwoord is niet zonder meer: o neen, natuurlijk wil ik dat niet. Ik denk aan mijn therapeut die me zegt

“Wat jij vervelend vindt aan de fase waar je thesis nu in zit, is de ambetantigheid die er is omdat je nog niet weet waar je eindigt, omdat je in het proces van zoeken zit, en dat geeft onzekerheid want: dingen die je niet onder controle hebt.”

Ik pik eruit op: this too shall pass.  Neen, toch nog één ding. Het verschil met de dingen van vroeger is: ik weet dat het er is, dat het trekt, maar het weten alleen al geeft me meer controle. Meer wendbaarheid. Meer keuzemomenten. Meer durf om mijn gevoel als leidraad te nemen. Dat beslist traag en onderzoekt lang, maar stelt me zelden teleur.

 

 

 

Het moderne fenomeen dat bindingsangst heet

Mijn kleine wereldje

Staat zo’n beetje op zijn kop.

Bijna vakantie.
Thesisdruk.
Vaag iemand ontmoet.

Iemand ontmoet?

Och.
Ja.
Misschien.
Misschien ook niet.

Alles komt opeens twee keer zo hard binnen. De enorme bindingsangst die ik heb. Gedoe. Gedoe. Laat me maar alleen. Ik heb geen zin dit uit te zoeken (hij: veel ouder dan ik, iemand die me nooit vanbinnen en vanbuiten zou kennen, en echt, een toffe vriend. Waarom wil dat verpesten voor iets dat toch niet heel lang zou kunnen duren?).

Pfft. De thesis schiet er bij in.

Ik weet weer waarom ik de laatste maanden denk dat een kleine dosis Sertraline me neen, niet helemaal mezelf laat, maar dat dat misschien maar goed is ook. Vergeet ik het eens 48 uur, ik voel weer hoe mijn emoties met me op de loop gaan. Dit gevoel van controle over mijn eigen leven en tijd en planning te hebben, dat heb ik pas sinds ik dit anti-depressivum neem in de lage dosis van vandaag. Mijn hele volwassen leven heb ik niet zoveel evenwicht gekend als nu, het laatste jaar. Zonder deze dosis, vrees ik, word ik weer het ongeleide projectiel dat ik jaren en jaren was: overdreven vatbaar voor elke vlaag van emoties, zowel positief als negatief, nu eens hypereuforisch en dan weer diep ongelukkig, en alles bij elkaar een te vaag idee wie ik zelf ben. Neen, echt, ik overdrijf amper.

Ik ben daar bang voor, voor die staat van zijn. In de plaats daarvan blijf ik iets nemen dat ik liever weg zou zien. Mijn beloning is dat er ruimte is voor dingen die ik nooit gedacht te denken. Ze komen voorzichtig, als planten in de lente die hun kopje naar boven steken, en steeds vaker terug:

“wat een geluk dat ik dit kind heb, dat me met mijn voeten op de grond maakt, een vrouw en een volwassen mens van me maakt.”

Maar nu, nu er misschien (en misschieniger ook niet) weer iemand komt: neen. God, neen. De bindingsangst en de bijbehorende onrealistische emoties bespringen me onmiddellijk en zonder mededogen. Ik ben geen steek veranderd, wat dacht ik dan? Jawel, ik ben wél veranderd. Ik herken dit. En ik heb er gewoon geen zin in het te lijf te gaan. Steek liever mijn kop in het zand. Ik wil dit alleen aanpakken. Dus vlucht ik met overtuiging weg zodra de roes van verrukking en spannendheid is uitgewerkt (en dan is er nog niet eens iets gebeurd).

Ik denk niet dat ik hier klaar voor ben. Ik denk niet dat ik meewil in mijn eigen achtbaan van stress en angst en twijfels, altijd, elke keer opnieuw die twijfels.

Misschien wil ik hier niet klaar voor zijn, fluistert de stem van deze tijd me toe, want zijn we niet verantwoordelijk voor ons eigen geluk? Zijn we niet allemaal psychoanalytische wezens, uit op seks wanneer maar mogelijk, en moeten we onszelf niet wantrouwen als we liefde en plezier afslaan? Wat. klopt. er. niet?

Maar al schrijvende besluit ik dit: ik ga mezelf niet opjagen. Ik ga nergens ‘voor gaan’ zolang ik daar niet echt zin in heb en zolang ik voel dat ik daar niet aan toe ben. Ik wil dit aanpakken, maar op mijn gemak en in mijn eentje. Ik wil geen Jonge Man worden, die maar probeert en al doende beseft hoe bang hij is, hoe ver hij weg wil lopen (ja, ik analyseer er nu maar even op los) (maar verdacht veel was herkenbaar). Niet voor anderen, maar bovenal niet voor mezelf.

Ik voel mijn rust terugkeren.

Lief dagboek

Terwijl ik in het klasje van mijn zoon zit, waar ik eens per week ‘s middags bij de slapende kindjes waak (wat een contrast: de rust in dit containerklaske, dat van alle kanten aangevallen wordt door doffe dreunen van ballen, kinderen en fietsjes, maar waar de peuters vastberaden doorheen slapen), bedenk ik dat het misschien een idee is elke week een soort van dagboek te plaatsen.

Mijn week in retrospectief:

Vrijdag

… was rampzalig, zoals we allemaal weten. Wat een slag. Ik sliep er niet vastberaden, maar ontwijkend doorheen.

 

Zaterdag

Wat deed ik, behalve treuren? ‘s Avonds gaan eten met mijn broers en zussen en ouders. Als mijn broers en ik erna iets gaan drinken en schuilen, loop ik midden in een gesprek weg. Ach ja.

 

Zondag

Slaap ik veel te lang. Maar als ik wakker word, zet ik me weer aan mijn thesis. Twee dagen verloren alweer, maar ik ben toch trots. En als mijn zoon terug is, ben ik blij.

 

Maandag

…komt mijn Italiaanse vriendin! In mijn herinnering is ze bloedmooi en steek ik bleekjes tegen haar af. Ik schaam me om die gedachte, want ze is een geweldig mens, bezig met persoonlijke ontwikkeling en echt iemand die niemand om zich heen slecht doet voelen. Als ik haar zie, bestookt ze met complimenten over hoe ik eruit zie, hoe gelukkig ik overkom, hoeveel ik gegroeid ben. Ik weet dat ze het meent. Na een tijdje word ik me bewust van mijn denkfout. Zij is mooi, maar ook ik moet niet in haar schaduw staan. Haar normen zijn helemaal niet zo anders dan de mijne, en ook zij maakt zich niet op, kleedt zich niet altijd perfect, en gewoon, wat een verademing na altijd de perfectie in deze stad te zien. En ook: wat kan onze staat van zijn ons bedriegen.
Als we samen mijn zoon gaan halen, is ze niet weg te slaan van het kind, en vertelt me voortdurend hoe ik leuk met hem omga. Ze neemt ook foto’s. Twee dagen erna zal ik tot mijn verbijstering vaststellen over mezelf dat ik een mooie, aantrekkelijke vrouw ben met een heel eigen air. Ik zie opeens wel waarom sommige mannen me aantrekkelijk vinden en meer: waarom het vroeg of laat zomaar weleens zou kunnen dat dat het soort man is die ik op mijn beurt ook aantrekkelijk vind.
‘s Avonds stuiter ik van de energie. Ik heb maar een beetje aan mijn thesis kunnen werken, maar het dringt tot me door dat dit soort dagen zoveel effectiever zijn dan hele dagen vrij hebben, maar te weinig doen.

 

Dinsdag

… werk ik aan mijn thesis en ga ik ‘s avonds eten bij mijn moeder. Een tijdje geleden had ik dat zielig gevonden van mezelf. Nu weet ik dat te appreciëren en weet ik dat ik niet te veel alleen mag zitten. Bovendien wil ik babykleertjes meenemen voor mijn andere internationale vriendin die zwanger is. Ik zoek uit, en ik voel kortstondig iets van de extreem hevige gevoelens van toen: de totale verbijstering, slechte verbijstering, maar ook vermengd met de verbijstering die elke nieuwbakken ouder moet voelen. Een afscheid van de eigen kindertijd, een overweldigende verantwoordelijkheid, de kick van de hormonen. Ik kan over die eerste weken alleen in superlatieven praten. Ik kan niet zeggen dat ik toen ongelukkig was, alleen maar opgenomen in een vloedgolf van kicks, hormonen, adrenaline en slaaptekort dat ik niet eens opmerkte. Het voelt desondanks niet echt aangenaam heel even terug in die wereld te zitten, en ik voel me eens te meer overtuigd dat het een extreem goede keuze is al het babygerief weg te geven. Ik voel me een heel stuk vrijer. Marie Kondo!

 

Woensdag

… zie ik mijn vriendin, die in een mooie stad logeert die ik nooit echt gezien heb. We wandelen en ik geniet echt. Op de heenweg met de trein werk ik in een recordtempo geconcentreerd aan mijn thesis, en nu kan ik genieten van de vrije tijd. De laatste dagen voel ik hoeveel ik aan het groeien ben in het plannen van het werk: ik laat met rasse schreden het gevoel los altijd aan het werk te moeten zijn en neem in de plaats daarvan mijn werktijd én ontspanningstijd in handen. De vriendin is oprecht ontzettend blij met de kleertjes, en ik besef eens te meer hoe leuk ik haar vind. Ze is zo relaxed in haar zwangerschap en koopt zoveel mogelijk tweedehands. En ze heeft wasbare luiers gevonden! ‘s Avonds ga ik verder naar zee: ik wandel er een uurtje rond, werk nog wat, en ‘s avonds op de lange heenrit terug ook. Ik voel me een gelukkig mens.

 

Donderdag

Donderdag moet ik lesgeven. Dat doe ik, en erna werk ik aan mijn thesis. Onverwacht kan mijn zoon met mijn moeder een korte trip doen volgende week. De energie indachtig die ik kreeg van de internationale ontmoetingen vorige week, besluit ik nogal impulsief ook even weg te willen. Overmoedig mik ik op Berlijn. Ik schiet in de stress. Wil alles aflassen. En dan besluit ik het gewoon dichter bij huis te doen. Nederland is ook al zo cool.

 

Vrijdag

… zit ik in een rustig containerklaske. ‘s Namiddags zwerf ik een tijdje rond in het stadsdeel waar mijn zoons school ligt, gedesoriënteerd op zoek naar een rustige plek, liefst pubervrij (die fluisteren de hele tijd, hetgeen me geweldig irriteert). Uiteindelijk vind ik een enig (wat een woord) cafeetje. Het was zo’n café waarvan je denkt dat jij de enige ziel in dagen moet zijn die er passeerde, en waar je uit medelijden iets wil gaan drinken, om de omloop enigszins op te krikken. Maar in de plaats daarvan leek het wel het trefpunt van een uitgestorven dorp, in plaats van dat het gelegen is op op tien minuten stappen van een drukke straat. Ik studeer er geconcentreerd tot ik mijn zoon moet halen. ‘s Avonds zwerf ik met mijn broer door de stad.

 

En nu, vandaag, voel ik me schuldig omdat het werken niet gelukt is, maar er is nog de avond, en ik ben nerveus over vakantie, want dat doe ik nooit, maar alles komt helemaal perfect in orde, en ik heb al mijn administratie op punt gezet, en ik heb mijn rekeningen betaald, en de was gaat goed komen, en ik ga poetsen, want een vriendin komt hier een paar dagen logeren, en alles komt zo mooi uit dat ik er best alle vertrouwen in mag hebben, want ik ga een reisje maken! Ik! Die al jaren kijk hoe iedereen, Jonge Man voorop, de ene korte reis na de andere doe, ga erop uit!